HUBERTUS ECOWORLD | Linkies !! | Studieplanner 3e periode 3KGT | Natuur en Milieu 27 mrt | Eco Charts 2008 | Studieplanner 3e periode 4 KGT | Marketing Opdracht | OPDRACHTEN ECONOMIE 4e KLAS | Gastenboek | Exameninformatie | Consumptie - Budgetteren en lenen 26 mei | Consumptie - Huis kopen of huren 28 mei | Consumptie - Consumentenrecht 26 mei | Consumptie - Eerlijk kopen 26 mei | Verzekeringen 26 mei | Formules | Extra formules examen 2007 (24 mei) | Ecoregels | Oefentoets Consumptie | Oefentoets Consumptie 2 | Extra formules examen 2006 | Oefensommen 1 | Oefensommen 2 | Oefentoets | De Arbeidsmarkt | Arbeidsovereenkomst | Productie | Begrippen | Economische uitspraken | EXAMEN OEFENTOETS 2007 26 mei | ANTWOORDEN OEFENTOETS 2007 | Antwoorden Oefentoetsen Consumptie 28 mei !!! | Reacties | OPDRACHTEN ECONOMIE 3e KLAS | MEDEDELINGEN MEI 2008 | Beoordeling Presentatie

FORMULES

Het gemiddelde berekenen

het totaal (de som van alle getallen) : aantal = gemiddelde

voorbeeld

In een bakkerij verkoopt men elke week 110 appelflappen. De bakkerij is 6 dagen per week geopend.

Hoeveel appelflappen worden gemiddeld per dag verkocht ? (afronden op 1 decimaal )

Antwoord 110 : 6 = 18,33 = 18,3 appelflappen per dag

John verdient met zijn bijbaantje € 600 bruto per maand. Wat is zijn gemiddeld weekloon ?

Antwoord € 600 x 12 (mnd)= € 7.200 : 52 (wkn) = € 138,46 per week

Grote getallen

Grote getallen kun je niet altijd door elkaar delen. Je moet ze eerst gelijk maken.

Een miljoen heeft 6 nullen, een miljard heeft 9 nullen. Plak 3 nullen bij het miljard

of anders gezegd x 1000 en je maakt ze beide miljoen.

voorbeeld

2,4 miljard : 120 miljoen = 2,4 x1000 = 2400 miljoen : 120 miljoen = 20

780 miljoen : 1,3 miljard = 780 miljoen : 1300 miljoen (1,3 x 1000) = 0,6

Soms kan je het beste nullen wegstrepen.

voorbeeld

60.000 : 1,2 miljoen = 60.000 : 1.200.000 =

bij beide 4 nullen wegstrepen, wordt 6 : 12 = 0,05

BTW tarieven en berekening

Normaal tarief 19% ; laag tarief 6% (bij eten en drinken).

Ander woord voor BTW is omzetbelasting.

De winkelprijs= prijs inclusief BTW

Prijs exclusief btw (zonder btw) + btw = prijs inclusief btw (met btw)

voorbeeld

Een computer kost bij Megapool € 2000 exclusief btw. De btw is € 380.

Wat betaal je aan de kassa ?

Antwoord € 2.000 + € 380 = €2.380

 

Omrekenen naar dagen, weken, maanden, kwartalen en 1 jaar

Een maand mag je absoluut niet door 4 delen om een week te krijgen.

Je moet altijd terugrekenen naar 1 jaar !!

voorbeeld

Maggie verdient € 1200 per maand.

Hoeveel verdient zij per week ?

€ 1.200 x 12 (mnd) = €14.400 (per jaar) : 52 (weken) = € 276,92 per week

Hoeveel verdient zij per dag?

€ 1.200 x 12 (mnd) = €14.400 (per jaar) : 365 (dagen) = € 39,45 per dag

 

Omzetberekening

Omzet = Afzet Χ verkoopprijs (€)

Omzet (€) = opbrengst van de verkopen in euro’s, O van euro
Afzet = aantal producten , de A van aantal

voorbeeld

Een blikje cola kost € 0,45. Fristi € 0,60. Aa-drink € 75.

Deze week verkoopt een winkel 120 blikjes cola, 15 blikjes Fristi en 40 Aa-tjes.

a) Hoe groot was de afzet van deze week?

Antwoord 120+15+40= 175 stuks

b) Hoe groot was de totale omzet van deze week?

Antwoord

120x €0,45=   € 54

15x €0,60=         9

40x €0,75=       30

totale omzet  €  93

 

PROCENTEN

Normaal procenten berekenen

getal : 100 x aantal % =

voorbeeld

Een broek van het merk Replay kost normaal € 129. Deze week is het uitverkoop en krijg je 35 % korting op alle artikelen.

Hoeveel kost de broek in de uitverkoop ?

Antwoord € 129 : 100 = €1,29 x 35 = € 45,15 (korting)

€ 129 - € 45,15 = € 83,85 (nieuwe prijs)

voorbeeld

Jan heeft € 250 gespaard en zet dit op een spaarrekening. Hij krijgt 4 % rente per jaar. Hoeveel heeft Jan op het eind van het jaar op zijn rekening ?

Antwoord € 250 : 100 = €2,50 x 4 = € 10 (rente)

€ 250 + € 10 = € 260 (nieuw bedrag)

 

 

Stijging of daling in procenten (van aantallen of euro’s)

nieuw – oud Χ 100 = …%
       oud

Deze formule gebruik je als je 2 dingen met elkaar vergelijkt. Eerst was het zo (oud),

nu is het zo (nieuw).

Oud is altijd het getal waar je vanuit gaat. Zeg maar de basis, de oude situatie.

voorbeeld

In 2000 had Hotel De Vink 2980 gasten. In 2002 was het aantal hotelgasten 3300.

Bereken de toename van het aantal hotelgasten in procenten.

Antwoord 3300 - 2980 = 320 : 2980 x 100 = 10,74 % wordt 10,7 %

Je ziet, het jaar 2000 is de basis.

voorbeeld

De nieuwe cd van Usher kost eigenlijk € 19,99. Maar deze maand slechts €15,99.

Hoeveel procent korting krijg je deze maand ?

Antwoord € 15,99 - € 19,99 = € 4 : € 19,99 x 100 = 20,01 % wordt 20 %

Nu is € 19,99 het getal waar je vanuit gaat.

 

Deel uitdrukken in procenten van het geheel (totaal)

klein (deel) : groot (totaal)  x 100 = ….%

voorbeeld

In een klas zitten 25 leerlingen. 5 leerlingen zijn vandaag ziek.

Bereken het aantal zieke leerlingen in %.

Antwoord 5 (klein) : 25 (groot)= 0,20 x 100 = 20 %

voorbeeld

In een Amsterdams hotel slapen 20 Duitsers, 8 Japanners, 40 Engelsen,

4 Amerikanen en 15 Fransen. Hoeveel procent van de hotelgasten komt uit Europa ?

Uit Europa komen 20 + 15 + 40 = 75 gasten.

In totaal zijn er 20+15+40+4+8 = 87 hotelgasten

Dus 75 van de 87. Dat is  75 : 87 = 0,862 x 100 = 86,2 %

 

 

Terugrekenen naar 1 procent

Je gaat altijd uit van 100 %. Als je een getal hebt, moet je kijken hoeveel % dat eigenlijk is.

Daarna deel dat getal door dat aantal procenten en je hebt 1%. Met 1% kun ook weer 100% uitrekenen.

voorbeeld

Bert heeft gespaard voor een fiets. De fiets die hij graag wil hebben
wordt aangeboden met 15 % korting. De fiets kost nu nog euro 722,50.
Hoe duur was de fiets voor de speciale aanbieding ?

100% - 15%= 85 % (= 722,50)

722,50 : 85 = 8,50 (1%) x 100= euro 850 kostte de fiets voor de aanbieding.

 

voorbeeld

Een flesje parfum kost in de drogisterij € 40. De BTW is 19 %.

Hoeveel kost het flesje zonder BTW ?

100% + 19% (btw) = 119 % = € 40 (Let op: 119 % is meestal de prijs in de winkel)

€ 40 : 119 = 0,34 (1%) x 100= € 34 kost het flesje zonder BTW.